De cante: het vocale hart van flamenco
De flamencocante wordt niet bepaald door een ‘mooie’ stem in conventionele zin. Essentieel is het vermogen de palo te interpreteren, de tercios te beheersen, de melodie te ademen, met de tijd om te gaan en de tekst met een herkenbare persoonlijkheid over te brengen.
Er zijn heldere, ruwe, donkere, metalen, gebroken, hoge en lage stemmen. Juist die diversiteit wordt in de flamencotraditie gewaardeerd. De cantaor werkt met melodische versieringen, melismen, appoggiaturen, portamenti, stiltes en accenten die dezelfde letra ingrijpend kunnen veranderen.
Letras zijn meestal kort en komen grotendeels uit de volkspoëzie. Ze gaan over liefde, verlies, familie, werk, gevangenis, dood, vreugde, humor, trots, armoede, landschap, religie en alledaagse ervaringen. Hun kracht hangt niet af van literaire complexiteit, maar van het vermogen om een emotie in enkele verzen te verdichten.
Tot de grote historische namen van de cante behoren Silverio Franconetti, Antonio Chacón, Manuel Torre, Pastora Pavón ‘La Niña de los Peines’, Antonio Mairena, Pepe Marchena en Manuel Vallejo, naast talloze kunstenaars die de verschillende stijlen hebben behouden en veranderd.